Onderzoek door de leerlingen kan gerekend worden tot een ondernemende activiteit wanneer de leerlingen actief meedoen in het bedenken van het onderzoek en in het uitvoeren ervan. En nog beter is het wanneer de leerling ook zelf de vraagstelling bedacht heeft. Om de leerkracht te helpen deze vaardigheid bij de leerlingen te ontwikkelen en om onderzoek meer te laten zijn dan 'trial end error' geven we hier een model voor het doen van ondernemend onderzoek.
| Een onderzoeksplan | van: |
| (onderzoeksvraag) Wat willen we weten? (bijv. zijn alle druppels rond?) |
|
| (hypothese) Probeerantwoord |
|
| (proefopzet) Wat gaan we doen? |
|
| (resultaat) Wat we zien: |
|
| (conclusie) Wat we nu weten: |
|
| Opmerkingen door de leerkracht: |
|
1 Op
weg naar zelfstandig onderzoek
Bepaal per onderzoek (aan de hand van het werkblad) wat je de kinderen zelfstandig
laat doen, wat je samen met hen doet en wat je voor eigen rekening neemt. (Zie
ook onder 3)
2 Zorg voor een duidelijke structuur qua inrichting en activiteiten inrichting
Creëer een rustige werkplek, een rustige hoek, een beetje afgeschermd van de andere activiteiten. Begin met eenvoudige
materialen, bijvoorbeeld bij het waterlaboratorium:
- een paar jampotten met water
- een pipetje
- wat papier
- een velletje papier
- een busje zout
- een busje suiker
- vergrootglazen
- binoculair
- een handdoek
- een emmer om ‘gebruikt' water in weg te gooien (dit voorkomt heen en weer lopen naar het fonteintje)
De kinderen hebben waarschijnlijk wel het idee dat je door proefjes te doen van alles over water te weten kunt komen, maar hebben waarschijnlijk (nog) geen concrete onderzoeksvragen en dus ook geen idee welke materialen e.d. nodig zijn. Laat dit langzaam ontstaan.
Om het echt te maken: lab-jassen en een naam voor het laboratorium.
Een rooster waarop genoteerd wordt wie wanneer werkt.
Een map waarin de ‘onderzoeksresultaten' verzameld worden.structuur in de activiteiten
Kinderen die niet gewend zijn om onderzoek te doen, moeten op weg geholpen worden. Start met een (klassikale) demonstratie.
Bijvoorbeeld: hoeveel druppels passen er op een stuiver?
Werk heel voorbeeldig: rustig, zeg steeds wat je doet, noteer op het werkblad voor de leerling.
Laat de kinderen mee tellen met het aantal druppels dat valt.De eerste aanzet tot vervolgonderzoek kan zijn: probeer het ook eens. Wanneer de kinderen een andere pipet gebruiken zullen de druppels groter of kleiner zijn, dus komt er een ander antwoord uit. Dit leidt bij bespreking tot nieuwe onderzoeksvragen: zijn (water)druppels altijd even groot? Hoe meten we dat? En hoe zit dat met ander vloeistoffen?
Geef kinderen de vraag en de werkwijze uitgeschreven op het werkblad, maar laat ze in ieder geval altijd zelf bedenken wat hun probeerantwoord is, en wat de resultaten zijn. Help hen met het formuleren van de conclusie (wat we nu weten).
Misschien geven deze onderzoekjes naar druppelgrootte aanleiding tot een informatieve les over liters. (zijn die wel altijd even groot?)
3 Aandacht voor de onderzoeksvraag
Door ‘trial and error' komen kinderen heel wat te weten, maar wie kinderen
verder wil helpen, leert hen om eigen operationele onderzoeksvragen te stellen.
Stel je hoort kinderen bijvoorbeeld in een kringgesprek
over het weer zeggen:
' waarom is de lucht blauw?
Antwoorden die kinderen zelf vaak geven zijn: omdat het mooi weer is/omdat de
zon schijnt/omdat er geen wolken zijn etc.
Operationele vragen die daarvan af te leiden zijn:
Is de lucht altijd blauw als de zon schijnt?
Wat is eigenlijk blauw; de lucht of de wolken?
Is de lucht ook blauw als er wolken zijn?
En als er veel wolken zijn?
De antwoorden op deze vragen zijn door (vaak) kijken en beschrijven te verkrijgen.
Ze dragen bij aan het begrip van de kleuren van de lucht, ... maar verklaren
nog niet waarom de lucht blauw is en niet groen of geel. Daar is een heel ander
verhaal voor nodig en het is de vraag of kinderen dat ook werkelijk bedoelden
met hun oorspronkelijke vraag.
Dus niet 'waarom is een druppel rond' maar 'zijn druppels echt
rond en is dat altijd zo' leidt tot onderzoek.
Dus niet 'waarom gebruiken mensen zoveel water', maar 'waarvoor gebruiken mensen
water en hoeveel gebruiken ze; hoe zou je minder kunnen gebruiken, hoeveel minder?'